Gedachteloos ben ik aan het strijken. Een grote stapel was met bloesjes van mijn man en gezinshuiskinderen. Dan ligt daar opeens een bloesje… geen idee van wie het bloesje eigenlijk is. Ik kan er geen gezicht bij denken. Want ik heb jou nog nooit gezien. Langzaam gaat de stoom omhoog, de geur komt mij tegemoet. Mm… ik ruik… haal mijn neus op… pak het bloesje vast en wil het weer in de wasmand gooien.Dan stop ik toch. Nogmaals kijk ik naar het bloesje, ruik ik aan het bloesje en bedenk me opeens van wie ik het bloesje heb gekregen. Je moeder gaf het mij, ze zei erbij; ‘kijk maar of je het hem aan doet’ Ik ken jou niet, gelukkig heb ik je moeder wel een keer ontmoet. Ze drukte me op het hart dat jij een leuke, lieve jongen bent. Wel vol boeven streken, maar dat je vooral lief bent.

Je moeder heeft je kamertje ingericht.. jou kleren meegegeven en over je bedje alvast een sprei gelegd. De sprei door haar eigen handen gemaakt.En al ruik ik een geur die ik niet ken, waar ik aan moet wennen en misschien zelf helemaal niet lekker vind. Toch gooi ik het bloesje niet in de was. Ik strijk verder, ruik nogmaals de geur en denk erover na. In welke omgeving zou dit bloesje hebben gehangen, een rokerige omgeving? Een omgeving waar je moeder in ieder geval haar eigen spullen heeft. De geur van je moeder waar jij je zo vertrouwt bij voelt!?

Dan staat mijn besluit vast, ik ga niet wassen. Als ik moet wennen aan de geur van jou, wat zou jij dan wel niet moeten doen!? Hoe zou jij straks moeten wennen aan de geur van ons (gezins)huis? Hoe zou jij straks moeten wennen in een wildvreemd bed, bij wildvreemde mensen? Nee als ik nog niet eens kan wennen aan de geur van jou, van jou omgeving. Hoe kan ik dan van jou vragen om te wennen aan mijn geur. Hoe zou jij dan kunnen wennen aan mijn omgeving en aan mij?

Weet je… kleine jongen.. ik wen wel aan je geur. En ik hoop dat jij ook de mogelijkheid krijgt om te wennen aan mijn geur. Dat we over een tijdje kunnen zeggen.. Jou geur is zo gek nog niet.Over de beleving van kinderen en jongeren bij uithuisplaatsing staat veel beschreven. Er wordt vanuit het perspectief van de kinderen en jongeren beschreven waar de kwaliteit van de jeugdzorg aan zou moeten voldoen. Maar hoe uithuisplaatsing en verlieservaring samen valt, daar besteden we nog veel te weinig aandacht aan!

Het gaat erom dat je niet alleen te maken hebt met een loyaliteitsconflict of een probleem, maar steeds ook dat een uithuisplaatsing een verlieservaring is en zelfs een trauma voor elk kind. Het traumatische zit niet alleen in het missen van ouders of familie, maar ook in het vanzelfsprekende.

Het vanzelfsprekende is namelijk niet meer vanzelfsprekend voor het kind.De gordijnen, het bed, de blaffende hond maar ook bij mishandeling zijn de slagen als vanzelfsprekend. Dit verandert zo dramatisch voor het kind als het uithuisgeplaatst wordt, dat zelfs de vervelende dingen nog ‘gemist’ kunnen worden (Beek, 2013).

Bedenk dan ook bij jezelf.. hoe traumatisch is het voor het kind om gelijk bij plaatsing al zijn of haar spullen te screenen op geur, bruikbaarheid en nut. Is het niet veel beter om onvoorwaardelijk het kind te accepteren!? MET zijn geuren en alles wat erbij hoort!?

 

Gastblog door Inge Gelderloos

Samen met haar man runt Inge een gezinshuis. Er verblijven op dit moment 3 jonge kinderen en een meisje van 18 jaar. Dit meisje wordt begeleid zodat ze zo zelfstandig mogelijk zou kunnen gaan wonen in de toekomst. Naast het werk in het gezinshuis, werkt Inge bij het Centrum Jeugd en Gezin.